|
||||
|
Golf van tranen. De tragedie op Koh Phi Phi
door de ogen van een backpacker.
Door Robin de Bruin. |
||||
Hieronder hoofdstuk 8 Bij de eerste trap sta ik nog geen seconde stil als ik merk dat het hier te druk is, de tweede trap is rustiger. Volgens mij heb ik ergens naar Carina geroepen dat we de volgende trap nemen. Het is chaos. Rennend de trap op, Carina achter me aan.
Van dit gedeelte ontbreekt, naast het geluid, ook het beeldmateriaal in mijn herinnering. Dit is het moment dat we langs de grote boot, die als restaurant in de rots is geplaatst, naar boven lopen. De trap schijnt van beton te zijn, met hoge treden.
Uitgeput komen we boven het restaurant/guesthouse aan. In de bosjes, aan de rand van dit complex, ongeveer halverwege de heuvel, staan al mensen. Waarschijnlijk heb ik hier naar beneden gekeken, in mijn herinnering leek het water op dit moment weer rustiger te worden.
Ik spreek een toerist aan en vraag wat er gebeurt. Hij begint zijn vermoedens te spuien over aardbevingen en vulkaanuitbarstingen die mogelijk op de bodem van de oceaan hebben plaatsgevonden. Mijn gedachten gaan inderdaad ook uit naar een vulkaanuitbarsting onderwater, hier ergens in de buurt. Maar ik vind het vreemd. Bij de meeste gebieden waar ik kom weet ik globaal of aardbevingen, vulkaanuitbarstingen of gevaarlijke klimaatsituaties voorkomen. Ik had geen enkel vermoeden dat deze risico’s nu aanwezig waren.
Hij zegt dat hij naar beneden wil gaan. Ik vermoed dat mijn ogen niet groter konden worden, dan ze op dat moment waren. Naar beneden? Heeft hij dan toch niet door wat hier gebeurt? Hoe kun je naar beneden gaan als je net de dood in de ogen hebt gekeken? De dood zat achter je aan, hij is daar nog steeds of anders: waarom kan hij niet elk moment terugkomen? Het is de dood die je daar ligt op te wachten. Net heeft hij de kans bij jou misschien gemist, maar hij is geduldig. Ook halverwege de heuvel voel ik me niet veilig. Ik wil Carina en mezelf in veiligheid brengen. The only way is up, een makkelijke keuze is gemaakt. Ik loop voor. Een standaard procedure tijdens het reizen. Carina is altijd wat langzamer dan ik en loopt vaak in het voorgebaande pad dat ik heb gemaakt. Eigenlijk heb ik hier een slecht gevoel over. Gebeurt er wat, dan is zij weg terwijl ik boven haar ben. Liever wissel ik om, maar ik weet dat Carina moe is. Waarschijnlijk te moe om zelf een weg te banen door de nu nog redelijk begaanbare natuur. Maar we moeten straks door naar boven waar het dichter begroeid is. Ik blijf voorop lopen in de hoop dat Carina kan blijven volgen. We lopen horizontaal honderd of tweehonderd meter naar links op de heuvel, op zoek naar een pad verder omhoog. Dan even uitrusten. We zien door de bomen beneden een man die gereanimeerd wordt. Ik voel me niet veilig, we lopen door. Dan even omkijken. We zien dezelfde man alleen liggen. Carina stelt een vraag waarop ik ‘ja’ moet antwoorden. De blonde zoon
van de sandwichshop wijst naar links alsof hij zeggen wil:
“daarheen”. Nu begint het op een droom te lijken. Hoe kan hij
hier zo snel zijn? Hij wist het later dan wij, moest verder lopen.
Raar. Ik bedank hem en we lopen door. Naar beneden kijkend zie je
niks herkenbaars. We hebben daar ergens tweemaal gegeten van de
week. Op de heuvel onder ons zie ik hutjes met een galerij, behoort
dat ook nog tot ‘The Rock’? De bewoners, volgens mij toeristen, zijn
droog gebleven. Ze komen naar buiten om te kijken wat er gebeurt.
Schuin voor ons zie ik een aantal Thaise vrouwen een trappetje
oplopen. Dat is gunstig, hier kunnen we dus naar boven. Maar het
trappetje blijkt op onze hoogte te stoppen. Door de begroeiing, struikelend over de liaanachtige strikken op de grond, baan ik een weg richting top. Niemand voor me en als ik achterom kijk, zie ik al niks anders meer dan struiken/bomen, Carina en de Thai. Het is lastig. Je bent uitgeput door het rennen, je bent leeg, we hebben slippers aan die niet meewerken en je weet alleen dat je door moet. Mijn slippers zijn hun vierde jaar ingegaan. Gekocht bij de River Kwai tijdens onze eerste backpackers-trip, drie jaar geleden. Veel te duur dacht ik toen, €35,-. Maar ze hebben hun geld opgebracht, ze hebben me overal naar toe gebracht en het waren wel echte ‘Walkers’ had de verkoopster nog gezegd. Ik heb al besloten dat ze Nederland niet meer zullen zien, ergens in Thailand krijgen ze een mooi plaatsje. Beetje sentimenteel ja, sorry. Ze zitten onder de verfspatten, de voeringen bij beide grote tenen zijn vergaan, klittenband dat er niet uitziet maar vastgeroest lijkt te zijn en een scheur over de breedte van mijn rechterslipper. Die houdt het niet lang meer. Maar goed, ik was niet van plan te gaan ‘survivallen’ met deze dingen. Onderweg merk ik dat op slippers lopen geen optie meer is, zeker niet met de mijne. Ze gaan uit. Dan ben je bovenop de heuvel waar nog steeds veel begroeiing is, maar minder dicht, en voornamelijk hogere bomen. Geen idee hoe hoog je bent, geen idee hoe hoog het water is gekomen, waarom het nu precies kwam, of het nog een keer komt en hoe hoog het dan gaat komen. Die laatste vragen worden snel beantwoord door geschreeuw, paniek en chaos. De tweede golf… We proberen
sneller door te lopen. Gevaar zien we niet, we kunnen alleen afgaan
op het gebulder van water dat zich een weg baant over het eiland. Ik
wil een boom in, maar boom één is al redelijk druk bezet. Ik zie een
grotere boom. Ik roep tegen Carina dat we de volgende nemen, een
meter of twintig verderop. Rennend aangekomen bij de boom geef ik
Carina een handje. Carina blijft op de eerste tak zitten, ze durft
niet hoger. Zelf klim ik door naar boven en ontmoet ik de Zweed
Mandar. Samen met Mandar proberen we informatie te krijgen van twee
Thai die weer een halve meter boven hem zitten. Maar die spreken net
zo veel Engels als wij Thai. Wat duidelijk wordt is dat het voor hen
de eerste keer is dat ze zoiets meemaken. Ze hebben geen idee wat er
aan de hand is. We besluiten voorlopig te blijven zitten. De
spanning, de vertwijfeling, de onzekerheid. De angst op dat moment
is zo groot en zo onbeschrijfelijk. Verder lezen koop het boek of bestel het online:
Schrijver: Robin de Bruin |
| 29-03-2005 | www.digibieb.nl |